In onze expedities komen we zes terugkerende terreinen tegen. Archetypische patronen die in de uitvergroting disfunctioneel worden. Elk terrein heeft een onderliggend mechanisme en een waarneembare verschijningsvorm.
𝗗𝗲 𝗞𝗹𝗶𝗳. Verschillen zijn te groot geworden. Wat ooit een helling was is een wand. Boven en beneden kijken naar hetzelfde terrein, maar zien niet hetzelfde uitzicht. Niemand klimt, want de afstand is groter dan het vertrouwen.
𝗗𝗲 𝗩𝗹𝗮𝗸𝘁𝗲. Verschillen zijn te klein. Geen oriëntatiepunten, geen wrijving, geen vonk. Middelmatigheid die zich voordoet als rust.
𝗛𝗲𝘁 𝗠𝗼𝗲𝗿𝗮𝘀. Uitwisseling is doorgeslagen. Eindeloos overleggen, consensus als einddoel. Vastlopen in de modder van ieders mening.
𝗗𝗲 𝗘𝗶𝗹𝗮𝗻𝗱𝗲𝗻. Uitwisseling is weggevallen. Silo’s zonder contact. Iedereen op zijn eigen stuk grond, niemand die de oversteek maakt.
𝗛𝗲𝘁 𝗢𝗲𝗿𝘄𝗼𝘂𝗱. Inperking is te dicht gegroeid. Regels, procedures en verwachtingen die zo vertakt zijn dat ze het gereedschap ontnemen om er iets aan te doen.
𝗗𝗲 𝗭𝗮𝗻𝗱𝘃𝗲𝗿𝘀𝘁𝘂𝗶𝘃𝗶𝗻𝗴. Inperking ontbreekt. Niets verankert. Elke verandering begint opnieuw. Het zand verschuift voor je het vasthoudt.
Een organisatie begeeft zich zelden in één terrein. De Vlakte en de Zandverstuiving lijken op elkaar, beide leeg en open. Maar ze hebben tegengestelde oorzaken. Dezelfde interventie werkt op het ene terrein averechts op het andere.
En de scherpste vuistregel: een probleem verschijnt vaak in een ander domein dan waar het ontstaat. Stuur je op resultaat op een Klif, dan maak je de wand alleen maar steiler. Zit je vast in samenwerking, check dan of het eigenlijk een verschilprobleem is. Wees het meest wantrouwig als de voor de hand liggende interventie in hetzelfde domein ligt als het symptoom.
De vraag is nooit welk terrein dit is.
De vraag is welke mechanismen het terrein voortbrengen.
Welk terrein herken jij het meest in jouw organisatie?